Samenvatting Landelijk Luizenonderzoek 2009

Wil je het volledige onderzoeksrapport ontvangen? Stuur dan een mail naar info@landelijksteunpunthoofdluis.nl

Inleiding
Het Landelijk Luizenonderzoek 2009 is gehouden door het Landelijk Steunpunt Hoofdluis. Het Landelijk Steunpunt Hoofdluis is opgericht in 2009 en heeft zich ten doel gesteld het aantal hoofdluisbesmettingen in 5 jaar te decimeren.
Doel van het onderzoek is om kennis te verkrijgen over:
1. Het aantal hoofdluisbesmettingen in Nederland anno 2009
2. De stand van zaken rondom systematische hoofdluiscontroles op de basisschool

Het onderzoek richt zich op 2 groepen: ouders van kinderen op de basisschool en onderwijsprofessionals (oa leerkrachten). Het onderzoek is uitgevoerd in de periode juni – october 2009, met behulp van een online enquête. Het uitgevoerd door het Landelijk Hoofdluis in samenwerking met Peter Korevaar van onderzoeksbureau KoreBusiness.

Resultaten uit het onderzoek onder ouders
Er zijn 542 ouders die de vragenlijst volledig hebben ingevuld. Ruim 97% van de respondenten is vrouw. 25,5% geeft aan dat tenminste één van hun kinderen in de afgelopen 12 maanden met hoofdluis besmet is geweest. We dienen rekening te houden met het feit dat deze enquête door mensen met een bovenmatige interesse in hoofdluis is ingevuld. Hierdoor kunnen we aannemen dat het daadwerkelijke percentage bij de totale doelgroep minder hoog uitvalt. Om dezelfde reden kunnen we aannemen dat het percentage van ouders die zijn kinderen minimaal eens per maand op hoofdluis controleert, in de steekproef van dit onderzoek hoger uitvalt dan bij de totale doelgroep. 62% van de deelnemers uit het onderzoek zegt dit te doen, dit is in de praktijk waarschijnlijk lager.

Resultaten uit het onderzoek onder onderwijsprofessionals
232 personen hebben de vragenlijst volledig ingevuld. Elke school wordt jaarlijks minimaal 1 maal geconfronteerd met hoofdluis. 17% maakt dit 1 keer per jaar mee, 45% af en toe (2 tot 5,5 keer per jaar), terwijl 38% hier minimaal 5 keer per jaar mee te maken krijgt. De animo om luizenouder te worden wordt door 50% van de professionals als klein ervaren.

Ruim 91% van de scholen beschikt over materiaal om ouders voor te lichten. 82% heeft dit verkregen via de GGD, 18% betrekt dit van producenten van preventie- of bestrijdingsmiddelen. Ruim 70% vindt het onnodig een besmet kind te weigeren op school. Ruim 20% onderschrijft deze aanpak wel, terwijl 10% hier geen duidelijke mening over heeft.

Conclusies en Aanbevelingen
Totaal hebben ruim 800 mensen deelgenomen aan het Landelijk Luizenonderzoek 2009. Ruim 97% van de deelnemers is vrouw, hetgeen aangeeft dat hoofdluiscontrole en –bestrijding het domein van vrouwen is.

25,5% van de ouders geeft aan dat tenminste één van hun kinderen in de afgelopen 12 maanden met hoofdluis besmet is geweest. Dit percentage is aanzienlijk hoger dan in het laatst gemeten percentage, bij onderzoek door de GGD in 1994 was dat ‘slechts’ 11,2 %. Uiteraard moeten we voorzichtig zijn met interpretatie van deze cijfers, gezien het feit dat de deelnemergroep aan het Landelijke Luizenonderzoek 2009 niet helemaal representatief is voor de totale doelgroep. Ondanks dit voorbehoud kunnen we van een forse stijging spreken.

Deze stijging is opmerkelijk omdat we ook een flinke toename opmerken in het aantal scholen dat systematische controles uitvoert. Bij onderzoek in 2002 (Bos en den Otter, Hoofdluis een blijvende kopzorg?, RUG, 2002) gaven 58% van de scholen aan systematisch te controleren tegen 86% in dit onderzoek. Bovendien geven 91% van de scholen aan informatie beschikbaar te hebben voor ouders.

Hoofdluis is op zich niet gevaarlijk. Een (herhaalde) hoofdluisbesmetting is voor kinderen en hun ouders echter geen pretje. Bos en Otter doen in hun onderzoek de aanbeveling om onderzoek te doen naar de psycho-sociale bijwerkingen van een hoofdluis besmetting. Er is echter tot op heden geen opvolging gegeven aan deze aanbeveling.

Een ander nadelig bijverschijnsel van hoofdluis is de bestrijding ervan. Slechts 8% van de besmettingen worden verholpen met de zogenaamde kam methode. De rest van de besmettingen wordt verholpen met een luizen bestrijdingsmiddel. De bijwerkingen van sommige van deze middelen, voornamelijk bij herhaald gebruik, kunnen schadelijk zijn voor het kind. Dit zijn dan producten op basis van permetrine en malathion. Bovendien kan hoofdluis resistent worden voor deze twee middelen.

We moeten concluderen dat alle inspanningen niet voldoende zijn om de hoofdluis een halt toe te roepen. Het onderzoek geeft geen oorzaken voor de reden van de groei. Aanbevolen wordt om vervolg onderzoek te doen naar de kritische succesfactoren in de preventie van hoofdluis.